Onlangs bereisde ik twee nieuwe landen. En dat op mijn leeftijd. Over Polen wellicht later meer. Eerst maar eens naar Tsjechië.

Bij het passeren van een nieuwe grens neem ik mij altijd voor om daadwerkelijk iets van het land en zijn inwoners op te steken. Mede omdat mijn reisvoorbereiding altijd blijft haperen in vage vooroordelen lukte dit tot nu toe nooit.
Blanco reed ik dan ook mijn eerste kilometers door Tsjechië. Ik zag Skoda’s rijden en ik zag mensen ijs eten bij kleine ijssalons. Dat laatste leek me voor mij en reiskompaan Richard een prima manier om een eerste contact te leggen.
Op een pleintje zaten mensen op picknickbanken te likken en te lepelen. Er stond een korte rij voor het ijsloket, waarachter een hoogbejaarde vrouw op een krukje zat. Haar bewegingsruimte was minimaal. De achterwand van het ijskeukentje bestond uit een sliertengordijn, dat het geluid doorliet van een opgewonden sportcommentator. De vrouw kon zittend de hendels van het ijsapparaat bedienen. Ze had twee smaken; vanilka en jahoda.
‘Jahoda graag’, zei ik met overtuiging. Ze draaide met een aantal soepele handbewegingen een perfecte, donkerrode krul op het hoorntje.
En toen gebeurde het. Met mijn eerste lik ging ik een halve eeuw terug in de tijd. Naar de erven van de eerste Sallandse boeren die met een parasol, een vrieskist en een geplastificeerde ijskaart een beperkt assortiment van ‘De Friesche Koe’ gingen verkopen. Een tijd waarin onwetende ouders hun kinderen verwenden met een palet aan kleur, smaak en geurstoffen.
Die goddelijke sensatie van het jaren zeventig Friesche Koe waterijsje. Die bijna vergeten smaak viel me hier, in een Tsjechisch dorpje, zomaar weer in de mond.
‘Wat is er met jou aan de hand?’, vroeg Richard.
Euforisch antwoordde ik naar waarheid: ‘Ik hou van dit land.’

Recent Posts

Leave a Comment