Niets zo lawaaiig als buitenaf wonen.
De honden blaffen naar de sportvissers, die in de verte aan de kanaaloever bivakkeren. De haan maant zijn kippen luid kraaiend om flink te gaan krabben in het grindpad, vlak onder het slaapkamerraam. Een ooi blèrt de hele nacht om de terugkeer van haar overleden lam. Met gierende turbomotoren razen tractoren over nabijgelegen weilanden om de bodem te injecteren met tonnen mest. Steenuilen gillen als jonge katjes. En dan is er nog de buurman, die toch een eind weg woont, die in de vroege ochtend besluit om honderden lichtmetalen autovelgen in verreikende klankkasten, genaamd containers, te smijten.

Slaaptekort geeft me een zekere mate van fatalisme en berusting. Het maakt me een starende toeschouwer. Een niet geheel onprettig gevoel. Terwijl mijn eigen koningin, verderop in Zwolle, een nieuwe kroon laat zetten, nip ik aan mijn koffie. Ik kijk door de voormalige kerk. Ik doe er niet toe. Niemand doet er toe. Een tinteling trekt door mijn lijf. Mijn voeten jeuken. Een bejaarde man rekent af bij de kassa. Ik zie hem opgebaard liggen in een donkere ruimte. Hij glimlacht. Op iedere hoek van de kist brandt een kaars. Niets doet er toe. Alleen de stilte.

Recent Posts

Leave a Comment