Op station Zwolle kwam de zwarte man rokend, hollend en bellend de roltrap op. ‘Hé man. Ik moet zo snel mogelijk naar Amsterdam!’ Hij was opgefokt en vrolijk tegelijk. Ik zag een gouden tand. Die had ik zelf ook ooit eens willen hebben. Voor de spiegel vouwde ik toen een goudkleurig papiertje om één van mijn voortanden, lachte naar mezelf en kwam tot de conclusie dat een witte Sallander met een gouden tand geen porum is.
Ik legde hem uit: ‘Spoor 3. In Almere even overstappen.’ De man nam een flinke hijs van zijn joint. Negentig euro boete, had ik hem kunnen waarschuwen. Maar ach, de pluim waaide mooi onder de overkapping uit. ‘Nee man. Niet naar Almere. Ik kan niet naar Almere, weet je.’ Hij lachte zenuwachtig. Hem stond die tand wél. ‘Daar woont zij. Ik zei nog hé schatje. Rustig. Ik hou nog van je. Maar ze schreeuwde dat ik een dief was. Van haar hart. Dat ik haar hart had gestolen. Nee, niet naar Almere.’
Via Amersfoort stelde ik voor. ‘Of heb je daar ook een dame?’, vroeg ik brutaal. Weer lachte hij. ‘Nee man, Lelystad wél. Amersfoort is ok. Kom ik dan niet in Lelystad?’ Ik stelde hem gerust: ‘Amersfoort is 100% safe. Spoor 5. Hier even de trap…’ Maar hij rende al naar beneden. Ik had hem nog succes willen wensen met zijn hachelijke reis door vrouwenland, als mannen onder elkaar. Wit, zwart, geel, bruin. We zijn allemaal jagers, nietwaar?
Vlak voor vertrek ging ik nog even checken. Achter het coupéraampje zag ik hem zitten. Druk gebarend met zijn telefoon. Even sloeg hij zijn ogen op naar de hemel, alsof hij wilde gaan bidden.
De kans op hulp van boven leek mij in dit geval echter bijzonder klein.

Recent Posts

Leave a Comment