Als kind mocht het altijd al: op straat was je Rensenbrink of Neeskens. Nu, op het kunstgras van de Cruyff Courts, voetballen ze ongetwijfeld als Memphis of Strootman.

N ieuw is dat ook volwassen zich steeds meer gaan inbeelden dat ze iemand anders zijn. In de brede rij van regeringsleiders in Parijs bevonden zich allemaal Charlies. Burgermeesters noemden zich Charlie. Er waren T-shirts, bumperstickers en zelfs op het keukenschort van Paul de Leeuw stond het pontificaal: Je suis Charlie!

In de hal van Amsterdam CS staat een piano. Daar mag je op spelen. Mijn muziekleraar zag het vroeger al snel. ‘Brett, je hebt allemaal verbindingen in je hersenen, sommigen hoogst interessant, maar er zit niet één muzikale bij. En je vingers zijn veel te stijf.’ Einde droom, zo ging dat.

Nu dansten de handen van het meisje over de toetsen.  Publiek dromde samen. Mozarts noten vulden de hoge en kille stationshal. Achteloos speelde ze.

Ik ging vlak naast de piano staan. Ik wilde haar zijn. Ze stopte met spelen. Het applaus, eerst schoorvoetend, zwol aan.

Ik boog naar het publiek en ik was er van overtuigd: de mensen klapten voor mij. Ik wás het meisje.

Je suis pianiste!

Recent Posts

Leave a Comment