Samen met vele andere mannen werd ik op de eerste voorjaarszaterdag naar buiten gestuurd om te klussen. In mijn geval betrof het de uilenkast die hoog in de boom langzaam zijn rottende bodem verloor.
Het verwijderen van de oude kast werd door de aanwezigheid van het steenuilenechtpaar, dat me verbaasd aankeek met hun schotelogen, uitgesteld.
Geen reden om niet alvast het nieuwe verblijf op te hangen natuurlijk. Konden de uilen mooi zelf kiezen waar ze hun uilskuikens gingen grootbrengen.
Ik klom de wiebelige ladder op met het larikshouten huisje op mijn schouder en boormachine, schroeven en ijzerdraad in mijn zakken. Op achttien treden hoogte leek het gewicht van de kast te verdubbelen. Tijdens het boven mijn hoofd manoeuvreren raakte ik zwaar in onbalans. Onder aan de ladder begon mijn vrouw te giechelen, haar typische reactie op een crisismoment. Ik kreeg een visioen van een spoedeisende hulppost vol zwaar gewonde klussers: open fracturen, afgezaagde vingers, lege oogkassen en heel veel bloed.
Mijn rugspieren schoven pijnlijk terug naar hun oude plek. Met bonkend hart herstelde ik de situatie. Zwetend kreunde ik naar beneden: ‘A je to!’
Verderop zaten de uilen. Stoïcijns observeerden ze mijn capriolen. Twee onverstoorbare lamstralen in de lentezon.

Recent Posts

Leave a Comment